Dit themanummer staat onder redactie van Joke Smit en Juliëtte Liber in hun rol als scheidend en aantredend voorzitter van de sectie Kinder- en Jeugdgedragstherapie van de VGCt.

 

Onderzoek heeft laten zien dat de effectiviteit van psychotherapie bij kinderen en jeugdigen de afgelopen 50 jaar niet is toegenomen, sterker nog, bij sommige problematiek misschien zelfs wel is afgenomen. Dit is een zorgelijke bevinding. Hiervoor worden verschillende verklaringen gegeven. Onderzoekers wijzen onder andere op het risico van het eenzijdig scholen van behandelaren in technieken (protocollen) en van het onvoldoende scholen in de onderliggende theorie die evidence-based practice mogelijk maakt. Een kind- en jeugdgedragstherapeut dient zowel theoretisch gedegen onderlegd te zijn als veelzijdig, flexibel en creatief, en tevens in staat te zijn de uitgewerkte protocollen op maat en onderbouwd te vertalen naar de mogelijkheden en behoeften van het kind in en met zijn context.

Specifiek bij het werken met kinderen en jeugdigen dient benadrukt te worden dat de cognitief gedragstherapeut altijd te maken heeft met de context van het kind, het systeem waarin het kind opgevoed wordt, en de invloed van dit systeem op ontstaan en instandhouding van de problematiek. Dat vraagt van kind- en jeugdgedragstherapeuten dat zij kennis hebben van ontwikkelingspsychologie en orthopedagogiek, en dat zij kunnen werken met of via de ouders of andere betrokkenen uit het systeem of de context. 

De sectie Kinder- en Jeugdgedragstherapie heeft er daarom voor gekozen een themanummer te ontwikkelen over het thema ouderschap in de breedste zin van het woord. De verschillende bijdragen geven weer hoe ouders betrokken kunnen worden bij de behandeling van hun kind en welk effect dit heeft op de resultaten.

 

Guy Bosmans en collega’s beschrijven in hun artikel de ontwikkeling van een leertheoretisch verklaringsmodel van hechtingsproblematiek. Zij beschrijven daarbij hoopvolle implicaties voor de behandeling van deze problematiek vanuit cognitief-gedragstherapeutisch en systemisch perspectief. 

Ook Roseriet Beijers en collega’s nemen systemische aspecten mee in hun studie naar emotie-eten. Zij onderzoeken in een longitudinale studie het verband tussen enerzijds de kwaliteit van de ouder-kindrelatie en hechting op zeer jonge leeftijd van het kind, en anderzijds emotie-eten op 12- en 16-jarige leeftijd. 

Bonny van Steensel en collega’s beschrijven hoe zij onderzocht hebben op welke manier ervaren steun zowel vanuit kindperspectief als vanuit ouderperspectief invloed heeft op de mate waarin kinderen van angstbehandeling profiteren. 

Ten slotte beschrijven Bernet Elzinga en collega’s hoe zij in samenwerking met de praktijk een interventie hebben ontwikkeld specifiek voor ouders van depressieve adolescenten. Deze ouders ervaren vaak onmacht (en lange wachtlijsten).

Kennis van ouderschap en van de resultaten uit de onderzoeken die in deze artikelen worden beschreven, geven hopelijk een breed lezerspubliek stof tot nadenken en inspiratie om breder te kijken naar de cliënt en het cliëntsysteem. De nabeschouwing op dit nummer, geschreven door Lisbeth Utens in samenwerking met Luuk Stapersma, geeft daartoe een voorzet. De auteurs reflecteren daarin gedegen en grondig op de onderzoeken die in de artikelen zijn beschreven. Voor de klinische praktijk ondersteunen zij de visie dat aandacht voor de ouder-kindrelatie van belang is als een transdiagnostische benadering. Zij ondersteunen ook het pleidooi om in de opleiding van kind- en jeugdgedragstherapeuten aanvullende training en supervisie in specifieke systemische gespreksvoering nader gestalte te geven.